13 prangende vragen over de fosfaatrechten aan Wiebren van Stralen


Alleen het aanvragen van een vergunning zal waarschijnlijk niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor de knelgevallenregeling
vrijdag, 4 maart, 2016

Wat betekent de invulling van de fosfaatrechten voor Nederlandse melkveehouders? Veeteelt legde 13 prangende voor aan LTO-beleidsadviseur mest en milieu Wiebren van Stralen.

Vraag 1: Waarom komt er een generieke korting waardoor alle bedrijven 4 tot maximaal 8 procent gekort worden op fosfaatrechten?

Vraag 2: Bedrijven met latente ruimte, een zogenoemd negatief fosfaatoverschot, krijgen voor een deel van deze ruimte extra fosfaatrechten. Wat betekent dat?

Vraag 3: Van Dam wil in Brussel onderhandelen om het fosfaatplafond van de baan te krijgen. Is er een reële kans dat hij daarin slaagt?

Vraag 4:Zijn de fosfaatrechten blijvend of is er een einddatum afgesproken? 

Vraag 5: fosfaatrechten zijn geïntroduceerd om derogatie veilig te stellen. Hoe heilig is derogatie?

Vraag 6: Bij de overdracht van fosfaatrechten vindt afroming plaats. Waarom tien procent en geldt dat ook bij bedrijfsovername? 

Vraag 7: Vervallen rechten door afroming kunnen op een later moment worden gebruikt voor bedrijven die aan nader vast te stellen criteria voldoen. Wat voor criteria zouden dat kunnen zijn?

Vraag 8: Wat zal de waarde van fosfaatrechten worden? 

Vraag 9: Welke plaats neemt jongvee in dit stelsel van fosfaatrechten in? 

Vraag 10: De peildatum is nu definitief 2 juli 2015. Waarom is daarvoor gekozen?

Vraag 11: Fosfaatefficiënte bedrijven kunnen meer ontwikkelen en om dat aan te tonen ligt de inzet van de KringloopWijzer voor de hand. Dat klinkt alsof het nog niet zeker is dat de KringloopWijzer echt wordt ingezet?

Vraag 12: Knelgevallen wil Van Dam sterk beperken tot heel uitzonderlijke situaties. Wat voor bedrijven zijn dat?

Vraag 13: Wanneer is de wetgeving rondom fosfaatrechten een feit?

 

Vraag 1: Waarom komt er een generieke korting waardoor alle bedrijven 4 tot maximaal 8 procent gekort worden op fosfaatrechten?

‘De Nederlandse melkveesector is afgelopen jaar door het fosfaatplafond gegaan. Om de afspraken met de Europese Commissie in Brussel na te komen en derogatie niet in gevaar te brengen, moeten er maatregelen genomen worden. Er is gekeken of het mogelijk was om bedrijven die de forse groei van de fosfaatproductie hebben veroorzaakt, aan te spreken en meer te korten in de toekenning van de fosfaatrechten. Dat voelt als het meest rechtvaardige systeem, maar is juridisch niet houdbaar. Bedrijven die in het eerste half jaar van 2015 fors zijn gegroeid, hebben immers gewerkt binnen de kaders van de wet. Daarom zal er een generieke korting gelden voor alle melkveebedrijven. Dat zal bij veel boeren onrechtvaardig voelen, maar hier gaat het landsbelang, lees de derogatie, boven het individuele belang.’

Vraag 2: Bedrijven met latente ruimte, een zogenoemd negatief fosfaatoverschot, krijgen voor een deel van deze ruimte extra fosfaatrechten. Wat betekent dat?

‘De latente ruimte zal bepaald worden aan de hand van de landbouwtelling van 2015. Die cijfers zijn nog niet beschikbaar. De cijfers van 2013 geven wel een goed beeld; destijds had 40 procent van de bedrijven een fosfaatoverschot dat kleiner was dan 0 kg. Dat percentage is afgenomen, maar ik schat in dat nog zeker een derde van de veehouders in deze categorie valt. Wanneer je de volledige latente ruimte in zou vullen, is daarvoor 7 miljoen kg fosfaat nodig. Maar hoe meer deze latente ruimte wordt ingevuld met extra fosfaatrechten, des te groter zal de generieke korting worden. Immers, er valt maximaal 84,9 miljoen kg fosfaat te verdelen. Hoeveel er uiteindelijk uitgedeeld wordt aan bedrijven met latente ruimte is nu nog onbekend. Het is de bedoeling dat het – indien mogelijk – het effect van de generieke korting compenseert.’

Vraag 3: Van Dam wil in Brussel onderhandelen om het fosfaatplafond van de baan te krijgen. Is er een reële kans dat hij daarin slaagt?

‘Het gaat de Europese Commissie erom dat Nederland de milieudoelen haalt, dat de waterkwaliteit verbetert. Wanneer het fosfaatrechtenstelsel vaststaat en de sector kan bewijzen dat de verwerkingscapaciteit van mest op orde is en er mest buiten de landbouw wordt weggezet, dan is inderdaad een fosfaatplafond niet meer noodzakelijk.’

‘Afgelopen jaar werd er 35 miljoen kg fosfaat uit mest verwerkt, waarvan 10 tot 15 miljoen kg uiteindelijk buiten de landbouw werd afgezet. Wanneer je deze productie mag aftrekken van de totale fosfaatproductie, dan blijven we ruimschoots onder het fosfaatplafond.’

Vraag 4: Zijn de fosfaatrechten blijvend of is er een einddatum afgesproken?

‘Dat is nu nog onbekend, maar daar moet wel snel duidelijkheid over komen. Vooral fiscaal is dat belangrijk omdat kopers van fosfaatrechten wel willen weten voor hoe lang de investering die ze aangaan geldig is. Het lijkt me wel dat ze blijven bestaan tot en met de start van de nieuwe derogatieronde, die in 2018 start.’

Vraag 5: De fosfaatrechten zijn geïntroduceerd om derogatie veilig te stellen. Hoe heilig is derogatie?

‘Ongeveer 18.000 van de 21.000 bedrijven met graasdieren doen mee met derogatie. Er is berekend dat het de sector 200 miljoen euro kost wanneer we geen aanspraak meer kunnen maken op derogatie. De invoering van fosfaatrechten kost ook geld, maar valt in het niet bij dit bedrag. Derogatie laten vallen betekent dat er in plaats van 250 kg stikstof maar 170 kg stikstof per hectare mag worden aangewend. Dat zou een enorme krimp van de veestapel betekenen, en nog meer druk op de mestmarkt omdat mest voor zowel stikstof als fosfaat verwerkt moet worden. Het zou een harde sanering van de sector betekenen. Het laten vallen van derogatie is geen optie.’

Vraag 6: Bij de overdracht van fosfaatrechten vindt afroming plaats. Waarom tien procent en geldt dat ook bij bedrijfsovername?

‘LTO had ingezet op 25 procent afroming. Alle rechten die bij verkoop vrijkomen door afroming, hoeven immers niet meer generiek te worden gekort. De staatssecretaris heeft andere politieke afwegingen gemaakt. Het is nu niet bekend of afroming ook geldt bij bedrijfsoverdracht door familie. Wanneer je kijkt naar invoering van rechtenstelsels in andere sectoren, dan ligt het voor de hand dat bij bedrijfsovername andere afroomregels zullen gelden. Dat is een punt waarover zeker nog verder gesproken wordt met Economische Zaken.’

Vraag 7: Vervallen rechten door afroming kunnen op een later moment worden gebruikt voor bedrijven die aan nader vast te stellen criteria voldoen. Wat voor criteria zouden dat kunnen zijn?

‘Dat is nog niet bekend. NAJK heeft voorgesteld dat dit extra rechten kunnen zijn voor jonge veehouders en daar kunnen wij ons goed in vinden. De staatssecretaris heeft dat meegenomen, maar wel aangegeven dat het grondgebonden bedrijven moeten zijn. Het is een stimuleringspotje met fosfaatrechten, maar dat wordt voorlopig nog niet gevuld. De eerste tijd wordt de afroming bij verkoop ingezet om de landelijke fosfaatproductie naar beneden te krijgen.’

Vraag 8: Wat zal de waarde van fosfaatrechten worden?

‘Daar is al veel over gespeculeerd, maar er valt geen zinnig woord over te zeggen. Het zal een markt van vraag en aanbod zijn.’

Vraag 9: Welke plaats neemt jongvee in dit stelsel van fosfaatrechten in?

‘Jongvee telt gewoon mee op de peildatum. Een kalf telt voor 9,6 kg fosfaat en een pink voor 21,9 kg fosfaat, en een koe met 8750 kg melk en een ureum van 20 heeft 42,7 kg fosfaatuitstoot. Degene die jongvee op de peildatum volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de RVO, op naam had, krijgt ook de fosfaatrechten. Dus is het jongvee uitbesteed bij de buurman en is dat ook zo bij de RVO geregistreerd, dan krijgt de buurman de fosfaatrechten.’

Vraag 10: De peildatum is nu definitief 2 juli 2015. Waarom is daarvoor gekozen?

‘LTO heeft zich ingezet voor een middeling van de eerste helft van 2015. Dat betekent het gemiddeld aantal aanwezige dieren in die periode. Er zijn namelijk bedrijven die de laatste maanden voor de peildatum hard zijn gegroeid. Die profiteren nu van deze peildatum. Bij de keuze van een middeling had het fosfaatoverschot zomaar 1 tot 1,5 miljoen kg lager kunnen uitvallen, waardoor de generieke korting lager zou uitvallen. De staatssecretaris heeft anders besloten, omdat hij zorgen had over de juridische houdbaarheid van een andere peildatum.’

Vraag 11: Fosfaatefficiënte bedrijven kunnen meer ontwikkelen en om dat aan te tonen ligt de inzet van de KringloopWijzer voor de hand. Dat klinkt alsof het nog niet zeker is dat de KringloopWijzer echt wordt ingezet?

‘De KringloopWijzer moet nog een aantal wetenschappelijke toetsen doorstaan om deze goed geborgd te krijgen, zodat bijvoorbeeld ook Brussel de KringloopWijzer goedkeurt. Daar wordt hard aan gewerkt. De centrale database van de KringloopWijzer werkt steeds beter en voorkomt foutieve invoering van gegevens. Maar ook wat er op het erf gebeurt, vraagt om toezicht. Zit er echt zoveel gras in de kuil als er is opgegeven en hoeveel melk gaat er naar de kalfjes? Over het toezicht houden moeten duidelijke afspraken komen, en daar wordt hard aan gewerkt.’

Vraag 12: Knelgevallen wil Van Dam sterk beperken tot heel uitzonderlijke situaties. Wat voor bedrijven zijn dat?

‘Knelgevallen zijn bedrijven die door bijzondere omstandigheden, door overmacht, op 2 juli minder dieren hadden dan normaal. Maar er zullen ook ondernemers zijn die onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan, zoals voor het bouwen van een nieuwe stal. De vergunningprocedure duurde een aantal jaren en op het moment dat de stal bijna klaar was, waren er fosfaatrechten. Daar zou een deel van de fosfaatrechten in de regeling kunnen vallen, dat wordt straks met het wetsvoorstel nog voorzien van criteria. Maar ik schat in dat alleen het aanvragen van een vergunning niet voldoende zal zijn om in aanmerking te komen voor de knelgevallenregeling.’

Vraag 13: Wanneer is de wetgeving rondom fosfaatrechten een feit?

‘Met de ervaring rond de invoering van de Melkveewet zou het me niet verbazen dat rond het zomerreces de wettekst naar de Tweede Kamer wordt gestuurd en dat die eind van dit jaar door de Eerste Kamer kan worden behandeld. Dat de bekendmaking van de plannen zo lang duurde, heeft er ook mee te maken dat er lang is gewerkt aan voldoende politiek draagvlak. Een garantie geeft dat niet, maar zoals de kaarten nu liggen, lijkt er draagvlak te zijn voor de huidige plannen.’


0 reacties

Alleen het aanvragen van een vergunning zal waarschijnlijk niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor de knelgevallenregeling
vrijdag, 4 maart, 2016

Wat betekent de invulling van de fosfaatrechten voor Nederlandse melkveehouders? Veeteelt legde 13 prangende voor aan LTO-beleidsadviseur mest en milieu Wiebren van Stralen.

Vraag 1: Waarom komt er een generieke korting waardoor alle bedrijven 4 tot maximaal 8 procent gekort worden op fosfaatrechten?

Vraag 2: Bedrijven met latente ruimte, een zogenoemd negatief fosfaatoverschot, krijgen voor een deel van deze ruimte extra fosfaatrechten. Wat betekent dat?

Vraag 3: Van Dam wil in Brussel onderhandelen om het fosfaatplafond van de baan te krijgen. Is er een reële kans dat hij daarin slaagt?

Vraag 4:Zijn de fosfaatrechten blijvend of is er een einddatum afgesproken? 

Vraag 5: fosfaatrechten zijn geïntroduceerd om derogatie veilig te stellen. Hoe heilig is derogatie?

Vraag 6: Bij de overdracht van fosfaatrechten vindt afroming plaats. Waarom tien procent en geldt dat ook bij bedrijfsovername? 

Vraag 7: Vervallen rechten door afroming kunnen op een later moment worden gebruikt voor bedrijven die aan nader vast te stellen criteria voldoen. Wat voor criteria zouden dat kunnen zijn?

Vraag 8: Wat zal de waarde van fosfaatrechten worden? 

Vraag 9: Welke plaats neemt jongvee in dit stelsel van fosfaatrechten in? 

Vraag 10: De peildatum is nu definitief 2 juli 2015. Waarom is daarvoor gekozen?

Vraag 11: Fosfaatefficiënte bedrijven kunnen meer ontwikkelen en om dat aan te tonen ligt de inzet van de KringloopWijzer voor de hand. Dat klinkt alsof het nog niet zeker is dat de KringloopWijzer echt wordt ingezet?

Vraag 12: Knelgevallen wil Van Dam sterk beperken tot heel uitzonderlijke situaties. Wat voor bedrijven zijn dat?

Vraag 13: Wanneer is de wetgeving rondom fosfaatrechten een feit?

 

Vraag 1: Waarom komt er een generieke korting waardoor alle bedrijven 4 tot maximaal 8 procent gekort worden op fosfaatrechten?

‘De Nederlandse melkveesector is afgelopen jaar door het fosfaatplafond gegaan. Om de afspraken met de Europese Commissie in Brussel na te komen en derogatie niet in gevaar te brengen, moeten er maatregelen genomen worden. Er is gekeken of het mogelijk was om bedrijven die de forse groei van de fosfaatproductie hebben veroorzaakt, aan te spreken en meer te korten in de toekenning van de fosfaatrechten. Dat voelt als het meest rechtvaardige systeem, maar is juridisch niet houdbaar. Bedrijven die in het eerste half jaar van 2015 fors zijn gegroeid, hebben immers gewerkt binnen de kaders van de wet. Daarom zal er een generieke korting gelden voor alle melkveebedrijven. Dat zal bij veel boeren onrechtvaardig voelen, maar hier gaat het landsbelang, lees de derogatie, boven het individuele belang.’

Vraag 2: Bedrijven met latente ruimte, een zogenoemd negatief fosfaatoverschot, krijgen voor een deel van deze ruimte extra fosfaatrechten. Wat betekent dat?

‘De latente ruimte zal bepaald worden aan de hand van de landbouwtelling van 2015. Die cijfers zijn nog niet beschikbaar. De cijfers van 2013 geven wel een goed beeld; destijds had 40 procent van de bedrijven een fosfaatoverschot dat kleiner was dan 0 kg. Dat percentage is afgenomen, maar ik schat in dat nog zeker een derde van de veehouders in deze categorie valt. Wanneer je de volledige latente ruimte in zou vullen, is daarvoor 7 miljoen kg fosfaat nodig. Maar hoe meer deze latente ruimte wordt ingevuld met extra fosfaatrechten, des te groter zal de generieke korting worden. Immers, er valt maximaal 84,9 miljoen kg fosfaat te verdelen. Hoeveel er uiteindelijk uitgedeeld wordt aan bedrijven met latente ruimte is nu nog onbekend. Het is de bedoeling dat het – indien mogelijk – het effect van de generieke korting compenseert.’

Vraag 3: Van Dam wil in Brussel onderhandelen om het fosfaatplafond van de baan te krijgen. Is er een reële kans dat hij daarin slaagt?

‘Het gaat de Europese Commissie erom dat Nederland de milieudoelen haalt, dat de waterkwaliteit verbetert. Wanneer het fosfaatrechtenstelsel vaststaat en de sector kan bewijzen dat de verwerkingscapaciteit van mest op orde is en er mest buiten de landbouw wordt weggezet, dan is inderdaad een fosfaatplafond niet meer noodzakelijk.’

‘Afgelopen jaar werd er 35 miljoen kg fosfaat uit mest verwerkt, waarvan 10 tot 15 miljoen kg uiteindelijk buiten de landbouw werd afgezet. Wanneer je deze productie mag aftrekken van de totale fosfaatproductie, dan blijven we ruimschoots onder het fosfaatplafond.’

Vraag 4: Zijn de fosfaatrechten blijvend of is er een einddatum afgesproken?

‘Dat is nu nog onbekend, maar daar moet wel snel duidelijkheid over komen. Vooral fiscaal is dat belangrijk omdat kopers van fosfaatrechten wel willen weten voor hoe lang de investering die ze aangaan geldig is. Het lijkt me wel dat ze blijven bestaan tot en met de start van de nieuwe derogatieronde, die in 2018 start.’

Vraag 5: De fosfaatrechten zijn geïntroduceerd om derogatie veilig te stellen. Hoe heilig is derogatie?

‘Ongeveer 18.000 van de 21.000 bedrijven met graasdieren doen mee met derogatie. Er is berekend dat het de sector 200 miljoen euro kost wanneer we geen aanspraak meer kunnen maken op derogatie. De invoering van fosfaatrechten kost ook geld, maar valt in het niet bij dit bedrag. Derogatie laten vallen betekent dat er in plaats van 250 kg stikstof maar 170 kg stikstof per hectare mag worden aangewend. Dat zou een enorme krimp van de veestapel betekenen, en nog meer druk op de mestmarkt omdat mest voor zowel stikstof als fosfaat verwerkt moet worden. Het zou een harde sanering van de sector betekenen. Het laten vallen van derogatie is geen optie.’

Vraag 6: Bij de overdracht van fosfaatrechten vindt afroming plaats. Waarom tien procent en geldt dat ook bij bedrijfsovername?

‘LTO had ingezet op 25 procent afroming. Alle rechten die bij verkoop vrijkomen door afroming, hoeven immers niet meer generiek te worden gekort. De staatssecretaris heeft andere politieke afwegingen gemaakt. Het is nu niet bekend of afroming ook geldt bij bedrijfsoverdracht door familie. Wanneer je kijkt naar invoering van rechtenstelsels in andere sectoren, dan ligt het voor de hand dat bij bedrijfsovername andere afroomregels zullen gelden. Dat is een punt waarover zeker nog verder gesproken wordt met Economische Zaken.’

Vraag 7: Vervallen rechten door afroming kunnen op een later moment worden gebruikt voor bedrijven die aan nader vast te stellen criteria voldoen. Wat voor criteria zouden dat kunnen zijn?

‘Dat is nog niet bekend. NAJK heeft voorgesteld dat dit extra rechten kunnen zijn voor jonge veehouders en daar kunnen wij ons goed in vinden. De staatssecretaris heeft dat meegenomen, maar wel aangegeven dat het grondgebonden bedrijven moeten zijn. Het is een stimuleringspotje met fosfaatrechten, maar dat wordt voorlopig nog niet gevuld. De eerste tijd wordt de afroming bij verkoop ingezet om de landelijke fosfaatproductie naar beneden te krijgen.’

Vraag 8: Wat zal de waarde van fosfaatrechten worden?

‘Daar is al veel over gespeculeerd, maar er valt geen zinnig woord over te zeggen. Het zal een markt van vraag en aanbod zijn.’

Vraag 9: Welke plaats neemt jongvee in dit stelsel van fosfaatrechten in?

‘Jongvee telt gewoon mee op de peildatum. Een kalf telt voor 9,6 kg fosfaat en een pink voor 21,9 kg fosfaat, en een koe met 8750 kg melk en een ureum van 20 heeft 42,7 kg fosfaatuitstoot. Degene die jongvee op de peildatum volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de RVO, op naam had, krijgt ook de fosfaatrechten. Dus is het jongvee uitbesteed bij de buurman en is dat ook zo bij de RVO geregistreerd, dan krijgt de buurman de fosfaatrechten.’

Vraag 10: De peildatum is nu definitief 2 juli 2015. Waarom is daarvoor gekozen?

‘LTO heeft zich ingezet voor een middeling van de eerste helft van 2015. Dat betekent het gemiddeld aantal aanwezige dieren in die periode. Er zijn namelijk bedrijven die de laatste maanden voor de peildatum hard zijn gegroeid. Die profiteren nu van deze peildatum. Bij de keuze van een middeling had het fosfaatoverschot zomaar 1 tot 1,5 miljoen kg lager kunnen uitvallen, waardoor de generieke korting lager zou uitvallen. De staatssecretaris heeft anders besloten, omdat hij zorgen had over de juridische houdbaarheid van een andere peildatum.’

Vraag 11: Fosfaatefficiënte bedrijven kunnen meer ontwikkelen en om dat aan te tonen ligt de inzet van de KringloopWijzer voor de hand. Dat klinkt alsof het nog niet zeker is dat de KringloopWijzer echt wordt ingezet?

‘De KringloopWijzer moet nog een aantal wetenschappelijke toetsen doorstaan om deze goed geborgd te krijgen, zodat bijvoorbeeld ook Brussel de KringloopWijzer goedkeurt. Daar wordt hard aan gewerkt. De centrale database van de KringloopWijzer werkt steeds beter en voorkomt foutieve invoering van gegevens. Maar ook wat er op het erf gebeurt, vraagt om toezicht. Zit er echt zoveel gras in de kuil als er is opgegeven en hoeveel melk gaat er naar de kalfjes? Over het toezicht houden moeten duidelijke afspraken komen, en daar wordt hard aan gewerkt.’

Vraag 12: Knelgevallen wil Van Dam sterk beperken tot heel uitzonderlijke situaties. Wat voor bedrijven zijn dat?

‘Knelgevallen zijn bedrijven die door bijzondere omstandigheden, door overmacht, op 2 juli minder dieren hadden dan normaal. Maar er zullen ook ondernemers zijn die onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan, zoals voor het bouwen van een nieuwe stal. De vergunningprocedure duurde een aantal jaren en op het moment dat de stal bijna klaar was, waren er fosfaatrechten. Daar zou een deel van de fosfaatrechten in de regeling kunnen vallen, dat wordt straks met het wetsvoorstel nog voorzien van criteria. Maar ik schat in dat alleen het aanvragen van een vergunning niet voldoende zal zijn om in aanmerking te komen voor de knelgevallenregeling.’

Vraag 13: Wanneer is de wetgeving rondom fosfaatrechten een feit?

‘Met de ervaring rond de invoering van de Melkveewet zou het me niet verbazen dat rond het zomerreces de wettekst naar de Tweede Kamer wordt gestuurd en dat die eind van dit jaar door de Eerste Kamer kan worden behandeld. Dat de bekendmaking van de plannen zo lang duurde, heeft er ook mee te maken dat er lang is gewerkt aan voldoende politiek draagvlak. Een garantie geeft dat niet, maar zoals de kaarten nu liggen, lijkt er draagvlak te zijn voor de huidige plannen.’

0 reacties



REAGEER

Veeteelt stelt het erg op prijs dat je wilt reageren op een bericht. Vul hieronder je volledige naam (voor- en achternaam) en je emailadres in. Je reactie wordt dan meteen geplaatst. Wil je niet elke keer je naam en emailadres invullen? Dan kun je je eenmalig registreren. Zo ontstaat een omgeving waarin iedereen op een respectvolle manier kan reageren in plaats van anoniem afreageren.